Geschiedenis van Neerpelt

Neerpelt was een vrij vroeg bewoonde site en wordt samen met Overpelt, aanvankelijk Pelta (van het middel-nederlands pael of poel) genoemd. De eerste vermeldingen gaan terug tot de 9de eeuw. Pas in 1218 komt voor het eerst het voorvoegsel "Neer" voor.

Neerpelt behoorde aanvankelijk waarschijnlijk tot het domein van de abdij van Sint-Truiden. Later maakte het grootste gedeelte van Neerpelt deel uit van het vorstelijk domein van de graven van Loon en de prins-bisschoppen van Luik.

Samen met Overpelt, Kaulille en Kleine-Brogel vormde ze de heerlijkheid Pelt. Op bestuurlijk-fiscaal gebied was de gemeente ingedeeld in vier heerwagens of kwartieren met elk een jaarlijks verkozen burgemeester: Broeseinde, Boseinde- met het dorp, Grote Heide en Herent. Ondanks het bestaan van een oude kapel op het Herent, vermoedelijk van Karolingische origine, werd Neerpelt pas in de 13de eeuw een zelfstandige parochie.

De fusiegemeente Sint-Huibrechts-Lille heeft een zelfstandige ontwikkeling doorgemaakt. De naam Lille gaat terug op de grondvorm "Lindelo" wat betekent "Lindenbos". De toevoeging van de heiligennaam Sint-Huibrecht dateert uit de 17de eeuw en houdt verband met de in de 16de eeuw ontstane verering van Sint-Hubertus. De oude gemeente Sint-Huibrechts-Lille behoorde samen met de gemeente Achel tot aan de Franse revolutie tot de heerlijkheid Grevenbroek.

In de loop van de 16de en 17de eeuw werd de streek herhaaldelijk onder de voet gelopen door doortrekkende en plunderende legerbenden. Een triestige herinnering uit de Lilse geschiedenis blijft het jaar 1651 waarin de Lorreinen de kerk in brand staken. In de kerktoren, die als verdedigingstoren dienst deed, kwamen een dertigtal inwoners om het leven.

De sociaal-economische ontwikkeling van de dorpen in de Noorderkempen kende een eerder parallel verloop. Neerpelt was steeds een open Kempisch landbouwdorp dat bijna volledig door uitgestrekte gemene heidegronden was omgeven. Het armzalige bestaan in deze Kempische streek betekende wellicht ook de opkomst van de Teuten. Dit waren handelaars uit de Kempen die vanaf de 17de eeuw naar Nederland, Duitsland en nog verder trokken om hun goederen, voornamelijk textiel en koper, te verkopen. De teuterij bracht Neerpelt, Sint-Huibrechts-Lille en andere Noord-Limburgse gemeenten geleidelijk aan meer welstand. Dit manifesteerde zich duidelijk in de 19de eeuw toen de stenen teutenhuizen werden gebouwd.

Midden 19de eeuw werd de Noorderkempen ontsloten uit haar isolement door de aanleg van het Kempisch kanaal (1846) en de bouw van de spoorlijnen Hasselt-Eindhoven (1866) en Antwerpen-Mol-Mönchen-Gladbach (1879) met een station op het kruispunt te Neerpelt. Tevens vonden veel inwoners werkgelegenheid in de toen opgerichte bedrijven in de buurt: de zinkfabrieken te Lommel en Overpelt en de poederfabriek te Kaulille. Voor het overige bleef de landbouw een belangrijke bron van inkomsten.

In 1910 werd in Neerpelt het St.-Hubertuscollege gesticht, het eerste katholieke college met volledig Nederlandstalig programma. Neerpelt dorp groeide stilaan uit tot een klein regionaal verzorgingscentrum: administratie, dienstverlening, scholen, handelscentrum, provinciaal centrum voor sport en cultuur, enzovoort.

De industriële werkgelegenheid was zeer beperkt. In 1961 richtte de gemeente samen met de naburige gemeenten Overpelt, Lommel, Kleine Brogel, Kaulille, Eksel de intercommunale Nolimpark op, die de industrieparken in Overpelt en sinds kort ook in Lommel ontwikkelde. Een groot deel van de actieve bevolking is dan ook elders werkzaam o.a. in de naburige gemeenten Lommel, Overpelt, in Midden-Limburg en de Nederlandse grensstreek.